Zijn NOW/TVL-subsidies verpandbaar? Rechtbank Amsterdam oordeelt van wel

23-07-2024
Ruben Mets

Een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam leidt tot een verschuiving in het denkbeeld van de mogelijkheid tot het verpanden van (corona)subsidies. In afwijking van eerdere jurisprudentie heeft de rechtbank in onderhavige zaak bepaald dat vorderingen uit NOW- en TVL-subsidies overdraagbaar zijn.

Deze uitspraak heeft twee significante implicaties:

  1. de subsidiegelden zijn verpandbaar volgens art. 3:228 BW;
  2. bij faillissement kunnen banken zich (in afwijking van art. 54 lid 1 en lid 2 Fw) verhalen op deze (verpande) subsidiegelden, conform het Mulder q.q./CLBN-arrest.

Deze uitspraak kan gevolgen hebben voor ondernemers die gebruik maakten van coronasteun en/of (nabetalingen van) subsidies ontvangen, evenals voor hun crediteuren en financiers.

Op 26 juni 2024 deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een zaak tussen de curator van een failliete onderneming en ING Bank. Het geschil draaide om de vraag of coronasteungelden (NOW- en TVL-subsidies) die gefailleerde had ontvangen, verpand konden worden aan de bank.

Gefailleerde is in mei 2022 failliet verklaard. ING had het bedrijf gefinancierd en daarbij diverse zekerheden bedongen, waaronder een stil pandrecht op vorderingen. Vóór het faillissement ontving gefailleerde ruim € 760.000 aan TVL-subsidies op haar ING-rekening. Na het faillissement kwam er nog zo’n € 52.000 aan NOW-subsidies binnen.

De curator betoogde dat deze subsidies naar hun aard niet overdraagbaar en dus niet verpandbaar waren. Het doel van de regelingen – steun voor loonkosten en vaste lasten – zou zich immers verzetten tegen verpanding. De curator vorderde daarom dat ING deze bedragen aan de boedel zou afdragen.

ING stelde daar tegenover dat de subsidies wel degelijk verpandbaar waren. De niet-overdraagbaarheid volgt namelijk niet uit de betreffende onderliggende regelingen. De bank wees er bovendien op dat verpandbaarheid juist bijdraagt aan het doel van de regelingen, omdat banken dan eerder bereid zijn om voorfinanciering te verstrekken.

De rechtbank stelt ING in het gelijk en oordeelt dat de subsidievorderingen overdraagbaar en verpandbaar zijn, verwijzend naar art. 3:83 lid 1 BW en art. 3:228 BW. Uit deze wetsartikelen volgt dat vorderingsrechten in principe overdraagbaar en daarmee verpandbaar zijn, tenzij de wet of de aard van het recht zich ertegen verzet. De rechtbank constateerde dat er geen wettelijke bepaling is die overdracht van NOW- en TVL-vorderingen verbiedt. Ook de aard van deze vorderingen verzet zich volgens de rechtbank niet tegen overdracht, omdat ze geen persoonlijk karakter hebben. De rechtbank overwoog vervolgens dat vorderingsrechten een persoonlijk karakter hebben wanneer de door de schuldenaar te verrichten prestatie verband houdt met persoonlijke eigenschappen van de schuldeiser. Dat is hier niet het geval; het gaat om gewone geldvorderingen van gefailleerde tot betaling van coronasteun door de overheid. Bij overdracht (en ook verpanding), waardoor de schuldenaar een andere schuldeiser krijgt (of kan krijgen), verandert volgens de rechtbank niet de inhoud van de prestatie. De rechtbank verwierp ook het argument dat het doel van de regelingen zich tegen overdracht zou verzetten. Het enkele feit dat de subsidies voor specifieke doelen bestemd zijn, maakt ze niet onoverdraagbaar. De rechtbank benadrukte dat de subsidiegelden sowieso in het vermogen van de ontvanger vloeien en dus voor het nemen van verhaal vatbaar zijn, ongeacht hun overdraagbaarheid. Onoverdraagbaarheid zou dan ook geen enkele garantie bieden voor de juiste besteding van de subsidies. Het is dan ook volgens de rechtbank aan de subsidieverlenende instantie om erop toe te zien dat aan de voorwaarden voor de subsidie wordt voldaan.

De rechtbank concludeert dat de NOW- en TVL-vorderingen onder het pandrecht van ING vallen. De bank mocht de ontvangen bedragen dus verrekenen met haar vordering op gefailleerde.