Wet opheffing verpandingsverboden

09-05-2025

Op 1 juli 2025 treedt de Wet opheffing verpandingsverboden in werking. Deze wet maakt een einde aan de mogelijkheid om in zakelijke contracten op te nemen dat geldvorderingen niet mogen worden overdragen of verpand. Het doel van deze wet is om de kredietruimte voor ondernemingen te vergroten, zodat zij gemakkelijker een (hogere) lening kunnen afsluiten.

De wet treedt in werking ruim vijf jaar nadat de Minister voor Rechtsbescherming op 29 juni 2020 het betreffende wetsvoorstel bij de Tweede Kamer heeft ingediend.

In dit artikel wordt ingegaan op de achtergronden en de totstandkoming van het wetsvoorstel, gevolgd door een bespreking van de implicaties van deze wet voor ondernemingen.

Het verpandingsverbod (en waarom?)

In zakelijke contracten wordt vaak bepaald dat de vorderingen die uit het contract voortvloeien, niet mogen worden overgedragen of verpand. Zo’n verpandingsverbod komt voort uit de behoefte aan administratieve duidelijkheid en een eenduidig betalingsadres, zo volgt uit de toelichting bij het wetsvoorstel. Door het opnemen van een verpandingsverbod wordt voorkomen dat een partij plots wordt geconfronteerd met een andere schuldeiser dan de wederpartij en is het altijd op voorhand duidelijk aan wie moet worden betaald.

In de huidige rechtspraktijk zijn dergelijke bedingen rechtsgeldig. Dit komt voort uit het beginsel van contractvrijheid: het staat partijen vrij om met elkaar af te spreken wat zij wensen, zo ook met betrekking tot (het uitsluiten van) overdracht en verpanding van vorderingen. Bovendien is deze mogelijkheid vastgelegd in de wet: artikel 3:83 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) bepaalt dat de overdraagbaarheid van vorderingsrechten door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar kan worden uitgesloten.

Overdraagbaarheid en verpandbaarheid hangen nauw met elkaar samen. Artikel 3:98 BW bepaalt dat wat er in dit kader van toepassing is op overdracht, óók geldt voor verpanding. Dat betekent dat met artikel 3:83 lid 2 BW niet alleen de overdraagbaarheid van een vordering kan worden uitgesloten, maar ook de verpandbaarheid. Omgekeerd geldt dat de Wet opheffing verpandingsverboden een bredere werking heeft dan de naam suggereert. Deze wet maakt niet alleen een einde aan de mogelijkheid van verpandingsverboden, maar heft ook overdrachtsverboden op.

Waarom wordt het verbod opgeheven?

De aanleiding van de Wet opheffing verpandingsverboden is dat een dergelijk verbod ook de “nodige economisch ongewenste neveneffecten” met zich brengt. Een verpandingsverbod zou namelijk een afschrikkende werking hebben tegenover kredietverleners. Wanneer het een kredietzoekende niet is toegestaan om zijn vorderingen aan de bank (of een andere kredietverlener) te verpanden, kan hij deze dus niet als zekerheid geven en daardoor minder (makkelijk) financiering krijgen. De wetgever beoogt met de wet te voorkomen dat ondernemingen worden beperkt in financieringsmogelijkheden. Het moet ondernemingen altijd vrijstaan om hun vorderingen over te dragen of te verpanden.

Wat verandert er?

Aan de regel van artikel 3:83 lid 2 BW dat het partijen vrij staat om de overdraagbaarheid (en dus óók de verpandbaarheid) van vorderingen uit te sluiten, zal per 1 juli 2025 daarom een uitzondering worden toegevoegd (het nieuwe artikel 3:83 lid 3 BW). Deze uitzondering zal als volgt luiden:

“Uitsluiting van de overdraagbaarheid of verpandbaarheid is niet mogelijk als het een geldvordering op naam betreft die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf. Een beding tussen schuldeiser en schuldenaar dat ertoe strekt de overdraagbaarheid of verpandbaarheid van een dergelijke geldvordering geheel of gedeeltelijk uit te sluiten dan wel vervreemding of verpanding ervan tegen te gaan, is nietig.”

Het nieuwe artikel 3:83 lid 3 BW is van toepassing op business-to-business en business-to-consumer vorderingen.

De wet zou echter de wet niet zijn als op deze uitzondering óók weer uitzonderingen bestaan. De hierboven opgenomen uitzondering geldt niet voor geldvorderingen:

  • uit hoofde van een betaal- of spaarrekening;
  • uit hoofde van een krediet- of geldleningsovereenkomst waarbij aan de kant van de kredietgever meerdere partijen betrokken zijn of zullen zijn;
  • van of op een clearinginstelling, een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie, een verrekeningsinstituut of een centrale bank; en
  • die verband houden met de voldoening van specifieke belastingschulden op een bankrekening die hier speciaal voor bestemd is (een zogenoemde g-rekening).

Het is de verwachting dat midden- en kleinbedrijven met de intreding van de Wet opheffing verpandingsverboden in staat worden gesteld om (aanzienlijk) meer te lenen.

De wetgever heeft de behoefte aan administratieve duidelijkheid echter niet uit het oog verloren. De overdraagbaarheid van zakelijke geldvorderingen kan straks weliswaar niet meer contractueel worden uitgesloten, maar aan zo’n overdracht worden per 1 juli 2025 wel strengere eisen gesteld. Op dit moment is één van die eisen dat de overnemende partij, zoals de bank of een factoringmaatschappij, een mededeling doet van deze overname aan de schuldenaar. Deze mededeling kan vormvrij worden gedaan. Per 1 juli 2025 moet de mededeling (voor geldvorderingen) echter altijd schriftelijk aan de schuldenaar worden gedaan. Hiermee wordt beoogd dat het, ondanks een eventuele overdracht en verpanding, duidelijk blijft aan wie moet worden betaald.

Let op!

Vanaf 1 juli 2025 is het niet langer mogelijk om verpandingsverboden op te nemen in zakelijke contracten. Deze wijziging heeft echter ook impact op reeds vóór die datum gemaakte bedingen.

Hoewel nieuwe wetgeving normaal gesproken geen gevolgen heeft voor eerdere contractsbedingen, geldt hier een belangrijke uitzondering. Bestaande verpandingsverboden blijven nog slechts drie maanden na inwerkingtreding geldig en verliezen vervolgens per 1 oktober 2025 vanzelf hun werking. Het is dus belangrijk om zich hiervan bewust te zijn en hier eventueel tijdig op te acteren.

Slot

Heeft u vragen over de Wet opheffing verpandingsverboden, of enige andere vraag met betrekking tot zakelijke contracten? Neem dan contact op met Davids Advocaten voor een (vrijblijvend) gesprek.