Stel: uw onderneming, een vennootschap onder firma (“VOF”), staat er financieel niet goed voor. U besluit de schulden te saneren via een WHOA-akkoord. U weet dat u als vennoot privé aansprakelijk bent voor de schulden van de VOF. Om te voorkomen dat na de afwikkeling van het WHOA-akkoord de vennootschapscrediteuren bij u aankloppen voor betaling, besluit u een third-party release in het akkoord te verwerken. Hierdoor verlenen schuldeisers van de VOF niet alleen kwijtschelding aan de VOF, maar ook aan u persoonlijk. Indien de schuldeisers hiermee instemmen, lijkt er geen vuiltje aan de lucht. Maar wat als sommige schuldeisers niet instemmen of zelfs tegenstemmen? Kan het WHOA-akkoord dan nog doorgang vinden? Deze vraag werd in de hierna te bespreken uitspraak van de rechtbank Amsterdam beantwoord.
Feiten
Achtergrond WHOA-traject
De rechtbank Amsterdam deed op 22 mei 2026 uitspraak in een zaak over een VOF die sinds 2014 een horecagelegenheid exploiteerde. Door de coronapandemie, oplopende kosten en terugbetalingsverplichtingen vanuit coronasteunmaatregelen was een structureel te hoge schuldenlast ontstaan. Voortzetting van de onderneming bleek niet langer mogelijk. De twee vennoten hebben een zogeheten ‘liquidatie-WHOA’ in gang gezet om de VOF gecontroleerd af te wikkelen.
Tijdens het WHOA-traject werd een koper gevonden voor de onderneming. Na verkoop van de activa, aftrek van kosten en volledige voldoening van de Belastingdienst en een schuldeiser met een eigendomsvoorbehoud, resteerde een bedrag van € 81.941 dat beschikbaar was voor de schuldeisers. Er werden twee klassen schuldeisers onderscheiden. Beide klassen stemden uiteindelijk met meerderheid in met het akkoord. Onder de minderheid waren schuldeisers die tegenstemden en schuldeisers die zich van stemming onthielden. Onder het akkoord ontvingen de schuldeisers 25% van hun vordering afgezet tegen ongeveer 1% die zij bij een faillissement hadden kunnen verwachten.
Derdenbeding (third-party release)
Bijzonder aan dit akkoord was een derdenbeding, ook wel third-party release genoemd. Deze bepaling zorgde ervoor dat niet alleen de VOF, maar ook de vennoten persoonlijk werden gekweten van aanspraken van de vennootschapscrediteuren. Dat is geen overbodige luxe. Anders dan bijvoorbeeld een bestuurder van een BV, die in beginsel niet privé aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap, zijn vennoten van een VOF dat wél. Op grond van artikel 18 van het Wetboek van Koophandel kunnen schuldeisers van de VOF niet alleen de VOF, maar ook iedere vennoot in privé aanspreken voor de volledige schuld.
Dat betekent dat een WHOA-akkoord dat alléén de schulden van de VOF saneert de vennoten persoonlijk blootstelt aan een risico. De vennoten blijven na afloop namelijk persoonlijk aansprakelijk voor diezelfde schulden. Vandaar dat in dit akkoord een third-party release was opgenomen, waarmee de schuldeisers afstand deden van hun aanspraken op de vennoten in privé. Dit roept de vraag op hoe men dient om te gaan met de minderheid die niet instemt met deze bepaling.
Homologatie rechtbank
Bij het ontbreken van instemming met een third-party-release wringt de schoen. Een third-party release regelt namelijk niet de verhouding tussen de schuldeiser en de VOF, maar die tussen de schuldeiser en de vennoot in privé. Kan een WHOA-akkoord daar überhaupt effect op uitoefenen als niet alle schuldeisers daarmee instemmen? Met andere woorden: maakt het ontbreken van (volledige) instemming met deze bepaling het akkoord niet vatbaar voor goedkeuring (ook wel homologatie genoemd) door de rechter?
Precies die vraag lag voor bij de rechtbank Amsterdam. Het antwoord is belangrijk voor vennoten van een VOF die een WHOA-procedure overwegen: onvolledige instemming hoeft geen belemmering te vormen voor homologatie van het akkoord. Hoe komt de rechtbank tot dit oordeel?
Achterliggende gedachte: de bijzondere positie van de vennoot bij een VOF
De rechtbank licht haar oordeel niet uitgebreid toe, maar overweegt kort dat de third-party release “in het systeem van de wet past”. Hoewel dit een bondig antwoord is, lijkt de bedoeling erachter mij goed te reconstrueren.
Het komt namelijk aan op de verhaalspositie van de vennoten zelf. Zoals gezegd zijn vennoten van een VOF persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming. Maar dat de VOF er financieel slecht voor staat, betekent niet dat de financiële positie van de vennoten in privé ook zwak is. Bieden de vennoten echter ook onvoldoende verhaal, dan is de vordering van de schuldeiser weliswaar in stand gebleven, maar in de praktijk niet meer dan een papieren recht. In dat geval is goed te volgen waarom de rechtbank meent dat kwijting aan de vennoten in het systeem van de wet past; een herstructurering en schuldsanering is er nu eenmaal voor bedoeld om (rechts)personen die (op termijn) niet meer aan hun opeisbare schulden kunnen voldoen, een uitweg te bieden.
Daarnaast kent de WHOA al de mogelijkheid om ook garanties van gelieerde groepsvennootschappen – denk aan hoofdelijke aansprakelijkheid binnen een concern – in een akkoord te betrekken. Waarom zou een vennoot, die net zo hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de VOF, dan niet op vergelijkbare wijze kwijting worden verleend als diens financiële positie dat rechtvaardigt?
De volgende nuance is daarbij van belang. Het gaat niet om de vraag of een vennoot vandaag zijn rekeningen kan betalen. Liquiditeitsproblemen zijn iets anders dan werkelijk onvermogend zijn. Een vennoot die even krap bij kas zit, maar bijvoorbeeld overwaarde heeft op zijn woning, biedt zijn schuldeisers nog wel degelijk verhaalsmogelijkheden. Pas als ook die achterliggende vermogenspositie ontoereikend is, ligt een kwijting in de rede.
Wat betekent dit voor u als vennoot van een VOF?
Het oordeel van de rechtbank is beperkter dan het op het eerste gezicht lijkt. Zij oordeelt namelijk alleen dat de third-party release geen reden vormt om de homologatie te weigeren, niet dat de homologatie de tegenstemmende of niet-stemmende schuldeisers ook daadwerkelijk bindt aan de kwijting van de vennoten. Die vraag blijft onbeantwoord, en zal zich pas echt aandienen op het moment dat een niet-instemmende schuldeiser na afloop alsnog een vennoot in privé probeert aan te spreken.
Wilt u als vennoot dit risico zoveel mogelijk beperken? Dan is transparantie het sleutelwoord. Kunt u aannemelijk maken dat u zelf ook niet in staat bent om de schuldeisers van de VOF vanuit uw privévermogen te voldoen, en maakt u de third-party release een integraal en voorwaardelijk onderdeel van het akkoord? Dan is de kans groot dat (rationeel denkende) schuldeisers uiteindelijk eieren voor hun geld zullen kiezen.
Conclusie
Een WHOA-akkoord van uw VOF draait in de regel om de verhouding tussen de VOF en haar schuldeisers. Met de juiste aanpak kan het voor een vennoot mogelijk zijn om van privéaansprakelijkheid jegens de schuldeisers af te komen. Kans of illusie? Met transparantie, een goed onderbouwd verhaal én de juiste juridische bijstand wordt het antwoord een kans.
Bent u een ondernemer en vraagt u zich af of een WHOA-traject een haalbaar instrument is? Neem dan vrijblijvend telefonisch contact op met Davids Advocaten. Zie voor nadere informatie over de WHOA-procedure: WHOA – Davids Advocaten (davidslaw.nl).



