Is een advocaat noodzakelijk voor een WHOA-traject?

07-07-2026

De kosten van een WHOA-procedure zijn – zeker bij noodlijdende ondernemingen – regelmatig een sta-in-de-weg. Logisch dus dat de ondernemer die een WHOA-traject initieert probeert de kosten van een WHOA-traject te beperken. Recent probeerde een schuldenaar zijn kosten te beperken doordat niet de advocaat, maar een adviseur werd geïnstrueerd om een verzoek bij  de rechtbank in te dienen. De rechtbank Amsterdam oordeelde in de beschikking van 8 juni 2026 (ECLI:NL:RBAM:2026:5709) echter dat dit niet mogelijk is en sneed deze kostenbesparing de pas af.

Feiten

Het WHOA-traject was aangevangen in februari 2026 met de afkondiging van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Faillissementswet (Fw). Deze afkoelingsperiode werd afgekondigd voor twee maanden en diende dus in april 2026 te worden verlengd. De (financieel) adviseur van de schuldenaar diende tijdig het verlengingsverzoek in, waarbij werd verzocht de afkoelingsperiode met 4 maanden te verlengen.

De rechtbank geeft echter te kennen dat het verzoek niet op de juiste wijze is ingediend. De rechtbank houdt de behandeling daarom aan tot 13 mei 2026, om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen het verzoek om verlenging door een advocaat te laten indienen.

Vervolgens dient de schuldenaar het verzoek tot verlengen van de afkoelingsperiode opnieuw in, maar ditmaal wordt het verzoek door diens advocaten ingediend. Het verzoek is vervolgens op 27 mei 2026 ter zitting behandeld, waarna de rechtbank het verlengingsverzoek in de bovengenoemde beschikking van 8 juni 2026 heeft toegewezen.

De rechtbank gaat in deze beschikking inhoudelijk op het verzoek in, maar wijdt ook nog enkele overwegingen aan het procedurele verloop. In dit artikel zullen met name deze procedurele overwegingen worden besproken.

Overwegingen rechtbank

De rechtbank bespreekt allereerst artikel 5 Fw en de toepassing van dat artikel op verlengingsverzoeken voor een afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 376 lid 5 Fw.

Uit artikel 5 Fw volgt dat voor bepaalde verzoeken die kunnen worden gedaan op grond van de Faillissementswet verplichte procesvertegenwoordiging van toepassing is; anders gezegd, dat deze verzoeken moeten worden ingediend door een advocaat. Voorbeelden van deze verzoeken zijn de aangifte tot faillietverklaring (niet zijnde een eigen aangifte, zie artikel 4 Fw) en het instellen van verzet (zie artikel 10 Fw). Ook diverse WHOA-verzoeken zijn opgenomen als verzoeken waarvoor verplichte procesvertegenwoordiging geldt. Het gaat om onder meer de verzoeken van artikel 371, eerste lid Fw (verzoek tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige), artikel 376, eerste lid Fw (verzoek afkondigen afkoelingsperiode), artikel 378, eerste lid Fw (een aspectenverzoek), artikel 379 eerste lid Fw (treffen van voorzieningen) en artikel 383, eerste lid Fw (het homologatieverzoek).

Het verzoek tot verlengen van de afkoelingsperiode uit artikel 376 lid 5 Fw is niet expliciet genoemd in artikel 5 Fw. Het is de vraag of dit een fout is geweest en de wetgever dit verzoek over het hoofd heeft gezien, of dat de wetgever de bedoeling heeft gehad voor dit verzoek verplichte procesvertegenwoordiging uit te sluiten. De rechtbank vermoedt het eerste en stelt: “De verplichte procesvertegenwoordiging werd bij Nota van Wijziging (her)ingevoerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 249, nr. 7), maar daarbij lijkt de wetgever geen acht te hebben geslagen op de verplaatsing van het verlengingsverzoek naar het vijfde lid.”

De rechtbank benoemt verder de ratio van de verplichte procesvertegenwoordiging, die volgens haar gelegen is in het voorkomen dat de rechter wordt geconfronteerd met inhoudelijk onvoldoende onderbouwde verzoeken. Ook de verlenging van een afkoelingsperiode moet goed beargumenteerd en onderbouwd zijn, aldus de rechtbank. De rechtbank benoemt bovendien expliciet dat in de onderhavige procedure het verzoek van de adviseur niet aan die maatstaven voldeed.

De rechtbank handelt uiteindelijk pragmatisch en biedt, naar analogie met artikel 281 Rv, de schuldenaar een termijn om het verzuim te herstellen.

Voor welke WHOA-verzoeken is een advocaat noodzakelijk?

Deze beschikking roept de vraag op of hiermee voldoende duidelijk is welke verzoeken op grond van de WHOA-wetgeving wel én niet door een advocaat moeten worden ingediend. Hoewel voor het grootste gedeelte van de verzoeken inmiddels door de wetgever of de rechtbank is bepaald door wie deze kunnen worden ingediend, is die duidelijkheid er in een enkel (weinig voorkomend) geval nog niet.

Zoals eerder in dit artikel toegelicht geldt voor vrijwel alle WHOA-verzoeken die door de schuldenaar worden gedaan, dat procesvertegenwoordiging verplicht is. Deze verzoeken moeten goed beargumenteerd en onderbouwd zijn. Te denken valt aan het aspectenverzoek, het treffen van voorzieningen, het (eerste) verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode en het homologatieverzoek. Voor deze verzoeken voorziet artikel 5 Fw in een regeling.

De verzoeken die de herstructureringsdeskundige aan de rechtbank doet zijn niet expliciet genoemd in artikel 5 Fw. Zie bijvoorbeeld het verzoek om een salarisverhoging (artikel 371 lid 10 Fw), het verzoek tot intrekking van zijn aanwijzing (artikel 371 lid 12 Fw) en het verzoek om zijn/haar ontslag (artikel 371 lid 13 Fw). Hiervoor is dus kennelijk de procesvertegenwoordiging niet verplicht. Gelet op het feit dat herstructureringsdeskundigen vaak advocaat zijn, is dat wellicht een logische keuze van de wetgever. De vraag werpt zich op of deze niet-verplichte procesvertegenwoordiging ook geldt indien de herstructureringsdeskundige geen advocaat is.

Voor schuldeisers heeft de wetgever een duidelijke en consequente uitzondering gemaakt. Zij hoeven zich meestal niet te laten vertegenwoordigen door een advocaat en kunnen zelfstandig verzoeken doen aan de rechtbank. Zie bijvoorbeeld de opheffing van de afkoelingsperiode op verzoek van de schuldeisers (artikel 376 lid 11 Fw), het ontslag van herstructureringsdeskundige (lid 13 van artikel 371 Fw) en het verzoek tot afwijzing van de homologatie (artikel 384 lid 3 en 4 Fw). Hoewel ook bij deze verzoeken relevant zal zijn dat deze goed beargumenteerd en onderbouwd zijn, heeft de wetgever er hier kennelijk voor gekozen de toegankelijkheid van de procedure voor schuldeisers te laten prevaleren boven de kwaliteit van het verzoek.

Overigens geldt voor het verzoek tot aanwijzing van de herstructureringsdeskundige door een schuldeiser (artikel 371 eerste lid Fw) wél dat hiervoor procesvertegenwoordiging noodzakelijk is – dit artikel is immers genoemd in artikel 5 Fw.

Overschrijding termijn

In deze beschikking wordt ook nog stil gestaan bij een ander procedureel punt, namelijk de overschrijding van een termijn voor het indienen van het verlengingsverzoek. Het uiterste tijdstip voor de indiening werd door de rechtbank op 13 mei 2026 om 12.00 uur bepaald. Het verzoekschrift van de advocaten bereikte de centrale balie van de rechtbank die dag om 14.22 uur — ruim twee uur na de gestelde termijn. Hoewel naleving van processuele termijnen het uitgangspunt is, wordt het verzoek in deze specifieke omstandigheden toch in behandeling genomen. De rechtbank betrekt daarbij dat de overschrijding beperkt van omvang was, dat deze te wijten is aan een miscommunicatie met de koeriersdienst en op geen enkele wijze de schuld is geweest van de schuldenaar, dat de betrokken partijen geen processueel nadeel hebben ondervonden en dat de voortgang van de procedure niet is beïnvloed.

Conclusie

Met deze beschikking heeft de rechtbank de lijn van de wetgever gevolgd; voor de verzoeken die de schuldenaar aan de rechtbank doet (anders dan de verzoeken die een herstructureringsdeskundige of schuldeiser aan de rechtbank doet), is vertegenwoordiging door een advocaat vereist. De schuldenaar die zijn kosten wilde beperken, viste achter het net en moest alsnog een advocaat inschakelen.