De Stroppenvennootschap – Bestuurdersaansprakelijkheid bij Structurele Onderkapitalisatie binnen Concernverband
Een analyse van Rb. Zeeland-West-Brabant 14 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5501
Inleiding
In een tijd waarin complexe concernstructuren en transfer pricing-arrangementen aan de orde van de dag zijn, werpt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 mei 2025 een helder licht op de grenzen van wat rechtens toelaatbaar is. De casus betreft een klassiek geval van een zogenoemde ‘stroppenvennootschap’ – een vennootschap die bewust wordt ingericht om als verlieslatende entiteit binnen een concernverband te dienen. Hierbij slaan alle schulden neer in deze vennootschap, terwijl de verhaalbare activa elders binnen het concern worden geconcentreerd. Zie in dat verband ook het Comsys-arrest (Hoge Raad 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033) waarin de Hoge Raad – op grond van onrechtmatige daad – oordeelde tot aansprakelijkheid van een moedervennootschap (enige aandeelhouder en bestuurder) op grond van schending van haar zorgplicht jegens de schuldeisers van een dochtervennootschap.
Feitelijke achtergrond
De casus speelt zich af binnen een concern, waarbij in 2016 de (later) gefailleerde vennootschap werd opgericht als opvolger van de daarvoor reeds gefailleerde vennootschap. Beide vennootschappen vertoonden opvallende overeenkomsten: zij produceerden afsluiters voor de olie- en gasindustrie; hadden slechts één exclusieve afnemer; waren vanaf oprichting structureel verlieslatend en werden gefinancierd door middel van voorschotten van groepsvennootschappen. Deze voorschotten werden in rekening-courant geadministreerd en verrekend.
De financiële ontwikkeling van gefailleerde vennootschap was vanaf de datum van oprichting verontrustend. Het eigen vermogen ontwikkelde zich van ruim € 1,3 miljoen (negatief) in 2017 tot ruim € 11 miljoen (negatief) in 2023. De gefailleerde vennootschap vertoonde jaar na jaar verliezen als gevolg van het gehanteerde transfer pricing-arrangement met een zustervennootschap. Deze laatste vennootschap fungeerde als enige en exclusieve afnemer, maar het stond haar tegelijkertijd vrij om bij derden in te kopen. Gefailleerde vennootschap was daardoor genoodzaakt om doorlopend tegen onrendabele condities te leveren. Groepsvennootschappen waren op grond van een volmacht bevoegd om de bankrekening van gefailleerde vennootschap te beschikken, terwijl gefailleerde vennootschap uitsluitend in staat werd gesteld haar productie ten behoeve van een groepsvennootschap te bekostigen en haar dwangcrediteuren betalen.
Pregnant was de situatie waarin de gefailleerde vennootschap zich bevond: de vennootschap beschikte over een geplaatst kapitaal van slechts € 5.000; beschikte niet over externe (bancaire) financiering en was voor haar voortbestaan volledig afhankelijk van de willekeur van de financierende groepsvennootschappen. Het bedrijfspand werd gehuurd van een groepsvennootschap, de bedrijfsmiddelen (zoals machines) waren eigendom van andere groepsvennootschappen. De enige voor verhaal vatbare activa bestonden uit voorraden, onderhanden werk en gereed product, die ten gunste van een groepsvennootschap waren verpand. De onderneming werd feitelijk drijvende gehouden ten koste van de belastingdienst en (andere) (handels-)crediteuren
De Paulianeuze coup de grâce
De situatie escaleert in december 2023, toen na meldingen van betalingsonmacht en bodembeslag door de belastingdienst, het bestuur alle voorraden en halffabricaten van de gefailleerde vennootschap verkocht aan een gelieerde vennootschap tegen een koopsom van ruim € 2,8 miljoen. Deze transactie werd volledig verrekend in rekening-courant, waardoor de laatste voor crediteuren verhaalbare activa aan de gefailleerde vennootschap werden onttrokken. Gefailleerde vennootschap had daarna niets meer. De rechtbank Rotterdam spreekt op 5 maart 2024 het faillissement uit.
Deze handelwijze illustreert de kern van het probleem: het bestuur handelde primair in het belang van groepsvennootschappen, waarbij de belangen van crediteuren van gefailleerde vennootschap volledig werden genegeerd. Zelfs toen de financiële ondergang van de vennootschap onvermijdelijk was geworden, zijn nog pogingen ondernomen om waarde naar andere concernentiteiten over te hevelen.
Primaire juridische grondslagen: artikelen 2:248 juncto 2:11 BW
De curator baseert zijn vordering primair op grond van bestuurdersaansprakelijkheid overeenkomstig artikel 2:248 en artikel 2:11 BW (doorbraak van rechtspersoonlijkheid).
Het verweer
De gedaagde (indirect) bestuurders betogen dat het faillissement is veroorzaakt door externe factoren zoals de coronapandemie, de Suez-crisis en de energiecrisis, gepaard gaand met het vertrek van werknemers. Voorts wordt aangevoerd dat de gehanteerde structuur gebruikelijk is en – nota bene – door externe adviseurs is aanbevolen. Een onderdeel van de verweren betreft de stelling dat de verkoop van voorraden in december 2023 geen benadeling van crediteuren heeft opgeleverd, omdat de koopsom is verrekend waardoor het vermogen van de gefailleerde vennootschap gelijk bleef. Ook wordt gewezen op de omstandigheid dat jaarlijks décharge aan het bestuur was verleend door de algemene vergadering van aandeelhouders. Ten slotte is een beroep gedaan op verjaring, op grond van het argument dat de risicovolle structuur reeds in 2016/2017 was opgezet en derhalve de driejaarstermijn van artikel 2:248 lid 6 BW ruimschoots was verlopen.
Stroppenvennootschap als kennelijk onbehoorlijk bestuur
De rechtbank komt tot een vernietigend oordeel. Centraal acht de rechtbank daarbij dat sprake is van een bewuste en weloverwogen inrichting van de gefailleerde vennootschap als stroppenvennootschap. Het vennootschappelijke belang van de gefailleerde vennootschap werd structureel opgeofferd ten gunste van het belang van de groepsvennootschappen.
Transfer pricing
De rechtbank is kritisch over het gehanteerde transfer pricing-arrangement. Waar gedaagden betogen dat levering tegen lagere prijzen noodzakelijk was om de concurrentie aan te kunnen, concludeerde de rechtbank hieruit juist dat sprake was van een doelbewuste en opzettelijke opoffering van het vennootschappelijke belang. Het arrangement was “niet zakelijk” en “inherent nadelig” voor de gefailleerde vennootschap, terwijl het arrangement juist gunstig uitpakte voor de groepsvennootschappen. Deze beoordeling sluit aan bij de jurisprudentie omtrent het vennootschappelijk belang, waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat het dienen van het groepsbelang niet mag leiden tot de ondergang van een (dochter)vennootschap (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, Cancun). In het Cancun-arrest oordeelde de Hoge Raad dat de zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.
Inherente risico’s
De rechtbank benadrukt verder dat de gekozen structuur “inherent risicovol” was voor crediteuren, welke risico’s zich ook daadwerkelijk hebben gemanifesteerd. Cruciaal is de vaststelling dat het bestuur “zich op geen enkel moment de belangen van crediteuren heeft aangetrokken” en dat “elke voor crediteuren compenserende maatregel achterwege is gebleven“. Deze benadering toont aan dat niet alleen de initiële inrichting van een risicovolle structuur problematisch kan zijn, maar dat het gebrek aan corrigerende maatregelen op het moment dat risico’s zich manifesteren, eveneens als onbehoorlijk bestuur kan worden gekwalificeerd. De beslissing om de ondernemingsactiviteiten van gefailleerde vennootschap niet langer te bevoorschotten had niet alleen haar déconfiture tot gevolg, maar ook de zekerheid, althans de voorzienbaarheid, dat crediteuren van gefailleerde vennootschap onbetaald zouden blijven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het tekort voor crediteuren op zijn minst voorzienbaar was.
Causaliteit tussen onbehoorlijk bestuur en faillissement
Ten aanzien van de causaliteitsvraag verwerpt de rechtbank het beroep op externe factoren. Gelet op het “consistente verloop van de resultaten” van de gefailleerde vennootschap en het structureel negatieve eigen vermogen, acht de rechtbank niet aannemelijk dat externe factoren wezenlijke invloed hebben gehad op de resultaten. De schuldenlast is veroorzaakt door het gehanteerde transfer pricing-arrangement en de daaruit voortvloeiende verlieslatende transacties.
Verwerping van overige verweren
Het beroep op déchargeverlening door de algemene vergadering wordt door de rechtbank gepasseerd hetgeen afstuit op artikel 2:248 lid 6 BW. Hetzelfde geldt voor het verjaringsverweer, omdat het bestuur – aldus de rechtbank – de verlieslatende structuur tot aan het faillissement heeft gehandhaafd. Hiermee benadrukt de rechtbank dat niet alleen de initiële inrichting, maar óók de voortzetting van een risicovolle structuur relevant is voor de beoordeling onder artikel 2:248 BW. Het beroep op externe advisering krijgt evenmin gehoor. De rechtbank maakt duidelijk dat externe advisering niet kan wegnemen dat het bestuur zelf verantwoordelijk is en blijft voor zijn beslissingen en de gevolgen daarvan. Relevant is ook dat één van de gedaagden, die stelt zich niet met de bedrijfsvoering te hebben bemoeid, niet vrijuit gaat. Haar beroep op matiging werd afgewezen omdat “dit beroep geen grond voor individuele matiging is“. De benadering van de rechtbank onderstreept dat passiviteit van bestuurders bij de toepassing van het kennelijk onbehoorlijk bestuursregime geen disculpatie oplevert.
Al het voorgaande is feitelijk des te opmerkelijker omdat het bestuur van de gefailleerde vennootschap reeds eerder ervaring had opgedaan met een vrijwel identieke structuur die eveneens in faillissement eindigde. Deze vorm van bestuurlijke recidive vormt voor de rechtbank een sterke indicatie dat sprake was van een bewuste en weloverwogen keuze voor een risicovolle bedrijfsstructuur.
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor het volledige faillissementstekort
De rechtbank veroordeelt alle gedaagden hoofdelijk tot vergoeding van het faillissementstekort, nader op te maken bij staat. Daarnaast wordt een voorschot van € 2.000.000 toegewezen.
Waarschuwing voor de praktijk
Deze uitspraak toont wederom aan dat door de juridische scheiding tussen rechtspersonen heen kan worden geprikt wanneer deze wordt misbruikt ten nadele van crediteuren. Daarbij zijn transfer pricing-arrangementen relevant. Hoewel dergelijke arrangementen fiscaal mogelijk acceptabel zijn, kunnen zij civielrechtelijk problematisch blijken wanneer zij structureel nadelig zijn voor een van de betrokken vennootschappen. Het “at arm’s length“-beginsel heeft daarmee ook civielrechtelijke relevantie. De uitspraak toont voorts aan dat concernfinanciering via (uitsluitend) rekening-courant, hoewel gebruikelijk, risicovolle aspecten kent. Wanneer een vennootschap volledig afhankelijk is van concernfinanciering zonder externe buffers, kan dit als onverantwoorde onderkapitalisatie worden beschouwd. Voor de praktijk betekent dit dat concernstructuren dienen te worden doorgelicht op mogelijke kenmerken van een stroppenvennootschap. Bestuurders kunnen niet volstaan met het voortzetten van een verlieslatende koers in de hoop dat de situatie zichzelf oplost. Wanneer structurele financiële problemen zich manifesteren dienen bestuurders, ter bescherming van de belangen van crediteuren, actief maatregelen te treffen of – desnoods – tijdig af te treden.



