Bepaling over aanwending koopsom mogelijk paulianeus?

22-05-2024
Rutger Hoogeveen

Inleiding

Op 26 maart 2024 deed het hof ’s-Hertogenbosch uitspraak over de geldigheid van een door de curator ingeroepen vernietiging van een koopovereenkomst op grond van artikel 42 Fw. Volgens de curator bevatte deze overeenkomst een aanvullende voorwaarde die bepaalde hoe de schuldenaar de verkoopopbrengst zou aanwenden. De curator betoogde dat (de inhoud van) deze voorwaarde benadelend was voor de gezamenlijke schuldeisers en deed een beroep op vernietiging.

Actio Pauliana

In een faillissement treedt de curator op in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Wanneer de schuldenaar voor het intreden van het faillissement een bepaalde rechtshandeling heeft verricht die nadelig is voor haar gezamenlijke schuldeisers, kan de curator deze rechtshandeling door vernietiging ongedaan maken (actio pauliana).

Betreft de rechtshandeling de voldoening van een opeisbare schuld, dan bepaalt artikel 47 Fw de voorwaarden waaronder de curator deze rechtshandeling kan vernietigen. Gaat het daarentegen om een onverplichte rechtshandeling (zoals het onverplicht aangaan van een overeenkomst), dan is artikel 42 Fw van toepassing.

In dit arrest boog het hof zich over de vraag of het aangaan van een koopovereenkomst door de schuldenaar paulianeus was, waardoor artikel 42 Fw van toepassing was. Bij het aangaan van een (koop)overeenkomst is altijd een andere partij betrokken, waardoor sprake is van een meerzijdige rechtshandeling. Ter bescherming van de wederpartij mag de curator deze (benadelende) rechtshandeling dan niet zomaar vernietigen. Heeft de wederpartij er echter weet van dat het aangaan van de overeenkomst benadeling voor de gezamenlijke schuldeisers meebrengt, of behoorde hij dat te weten, dan vervalt deze bescherming en kan de curator hier alsnog toe overgaan (zie artikel 42 lid 2 Fw).

De curator draagt (in beginsel) de bewijslast dat aan de voorwaarden van paulianeus handelen is voldaan.

Feiten

In het faillissement van Euro Machinery B.V. (“EM”) vordert de curator in hoger beroep vernietiging van de koopovereenkomst tussen EM en haar wederpartij (“X Beheer B.V.”).

EM houdt zich bezig met de in- en verkoop van kleine machines voor de bouw- en agrarische sector. De bestuurder van EM is tevens een B.V. Eind februari / begin maart 2020 verkoopt EM haar gehele voorraad aan X Beheer B.V. voor een bedrag van € 240.000 (ex. BTW) (“de koopovereenkomst”).

Voor deze zaak is het van belang dat de bestuurder van EM een schuld heeft aan X Beheer B.V. van € 100.000 uit hoofde van een lening. Kort voordat de koopovereenkomst tussen EM en X Beheer B.V. wordt gesloten, stuurt de bestuurder van EM hiervan een conceptversie aan X Beheer B.V. In dit concept is als aanvullende voorwaarde opgenomen dat de bestuurder van EM in totaal € 145.000 van haar eigen schulden afbetaalt, waaronder € 60.000 op de lening van X Beheer B.V. Dit concept wordt echter niet door X Beheer B.V. ondertekend.

Vrijwel onmiddellijk nadat de koopprijs door EM is ontvangen, heeft EM een groot deel hiervan, namelijk € 222.000 doorgestort naar de bankrekening van de bestuurder van EM. Deze heeft vervolgens inderdaad € 145.000 aangewend om verschillende eigen schulden af te betalen, precies zoals dit in de conceptovereenkomst was bepaald. Zo heeft de bestuurder van EM ook € 60.000 aan X Beheer B.V. afbetaald. Niet veel later is EM in staat van faillissement verklaard.

Volgens de curator heeft EM zich met de aanvullende voorwaarde in de koopovereenkomst verplicht om met de verkoopopbrengst van haar voorraad schuldeisers van een andere vennootschap (namelijk de bestuurder van EM) af te betalen. Daarna was zij financieel niet meer in staat om haar eigen schulden te voldoen. Daarmee is volgens de curator sprake van benadeling van de gezamenlijke schuldeisers van EM. De curator doet een beroep op vernietiging van de koopovereenkomst.

X Beheer B.V. betwist het standpunt van de curator. Zij stelt dat de bestuurder van EM deze aanvullende voorwaarde weliswaar in een conceptversie had opgenomen, maar dat deze nooit onderdeel is geworden van de uiteindelijke koopovereenkomst.

Oordeel hof

Benadeling

Allereerst stelt het hof vast dat de voorraad van EM aan X Beheer B.V. is verkocht tegen een marktconforme prijs. Het hof acht de verkoop als zodanig dan ook niet benadelend voor de gezamenlijke schuldeisers.

Vervolgens gaat het hof na of het doorstorten van de verkoopopbrengst door EM überhaupt onderdeel uitmaakte van de uiteindelijke koopovereenkomst. Zou dit niet het geval zijn, dan is het vernietigen hiervan niet doeltreffend en bovendien niet mogelijk op grond van de wet. Het aangaan van de koopovereenkomst zou dan immers geen benadeling voor de gezamenlijke schuldeisers hebben opgeleverd.

Indien wél blijkt dat het doorstorten onderdeel was van de koopovereenkomst, is het hof het met de curator eens dat deze overeenkomst nadelig is voor de gezamenlijke schuldeisers van EM, nu met (een groot deel van) de verkoopopbrengst schuldeisers van een andere vennootschap zijn betaald.

Het enkele feit dat de betalingsverplichting was opgenomen in de conceptovereenkomst was voor het hof echter onvoldoende om hiervan uit te gaan. Het hof biedt de curator de kans om alsnog te bewijzen dat dit het geval was, waarmee benadeling vast zou komen te staan.

Wetenschap

Zoals vermeld, is benadeling op zichzelf bij een meerzijdige rechtshandeling onvoldoende om te spreken van paulianeus handelen. De betrokken wederpartij moet tevens wetenschap hebben van deze benadeling. Die wetenschap, zo overweegt het hof, kan aanwezig worden geacht wanneer EM voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst aan X Beheer B.V. had gemeld “dat er sprake was van zodanige financiële problemen, dat zij het faillissement van Euro Machinery met een redelijke mate van waarschijnlijkheid had kunnen voorzien.”

Volgens de curator had EM deze melding aan X Beheer B.V. gedaan. Het hof oordeelt echter dat X Beheer B.V. gemotiveerd heeft betwist dat zij ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bekend was met de financiële problemen van EM.

Niettemin krijgt de curator ook hier de kans om alsnog te bewijzen dat X Beheer B.V. wel degelijk afwist van het feit dat EM in financieel zwaar weer verkeerde.

Conclusie

Uit de overwegingen van het hof blijkt dat (een beding in) een koopovereenkomst waarin wordt bepaald hoe de verkoper de verkoopopbrengst aanwendt, paulianeus kan zijn. Hoewel X Beheer B.V. een marktconforme prijs heeft betaald voor de voorraad van EM en EM deze koopprijs ook daadwerkelijk heeft ontvangen, stond het EM – gelet op haar slechte financiële positie – niet vrij om de verkoopopbrengst (via de bestuurder) aan te wenden om schulden van de bestuurder te voldoen. Als gevolg hiervan is mogelijk de gehele koopovereenkomst vernietigbaar.